De zaak werd aan het rollen gebracht door een familielid van een van de survivors. Hij maakte een reis van ruim 500 kilometer om zijn familielid te vinden en vermoedelijke uitbuiting te melden bij de politie.
Er was inderdaad sprake van uitbuiting, zo bleek al snel. De politie stelde een onderzoek in en trof 18 arbeiders aan die in een kleine hut leefden en gedwongen werden te werken zonder loon. De slachtoffers waren gelokt vanuit arme gemeenschappen met de belofte van goed werk.
De autoriteiten brachten de slachtoffers onmiddellijk in veiligheid in een opvang van de sociale dienst. Ze kregen medische controles, vrijlatingscertificaten (waarmee hun valse schulden officieel werden kwijtgescholden) en andere noodhulp. Daarna arresteerden ze de eigenaar van de plantage en een vermoedelijke mensenhandelaar. Vervolgens werden aanklachten voorbereid op basis van landelijke wetten tegen dwangarbeid, ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mensenhandel.
Een lokale partner van IJM, die de autoriteiten had getraind, zorgde ervoor dat al deze wetten in de aanklacht werden opgenomen. Opmerkelijk is dat de aanklacht binnen 24 uur werd opgesteld. In het verleden kon het maanden van lobbywerk door lokale organisaties vergen om autoriteiten in beweging te krijgen – maar nu wisten deze getrainde districtsfunctionarissen wat hun verantwoordelijkheid was en handelden ze direct.
Een leider van IJM zei hierover: “De snelle interventie van de autoriteiten geeft een duidelijk en krachtig signaal dat dwangarbeid niet wordt getolereerd. We prijzen de districtsautoriteiten voor hun snelle optreden en hun inzet om de rechten van migrerende en kwetsbare werknemers te beschermen.”
De bevrijdingsoperatie kreeg veel media-aandacht in de regio. Nadat de survivors de eerste opvang en zorg hadden gekregen, namen de autoriteiten het initiatief om hen terug te brengen naar hun thuisstaten. Alle kosten werden gedekt en functionarissen reisden met hen mee.